Ethiek

Ethiek is een -praktische- tak van filosofie, gericht op kritische bezinning over het ‘juiste handelen’. In algemene zin worden de criteria vastgesteld waarmee beoordeeld kan worden of een handeling als goed of fout kan worden gekwalificeerd.

In de ethiek vraagt men zich af wat de uiteindelijke norm –richtsnoer, maatstafregel- is voor het menselijk handelen. Hoewel in de omgangstaal ’ethisch’ vaak in de betekenis van ’moraal’ wordt gebruikt, gaat het om twee verschillende gebieden: ’moraal’ is het handelen zelf, terwijl ethiek de studie ervan is.

Moraal en moreel worden vaak door elkaar gehaald. Moreel is een geestesgesteldheid, weerbaarheid, moed die iemand bezit.

Immanual Kant’s meest bekende uitspraak is waarschijnlijk zijn categorische imperatief: handel alleen volgens die regel waarvan je tegelijkertijd zou willen dat die een algemene wet zou kunnen worden.

Wat kan ik weten – Een onderscheidende factor bij de mens is dat die zich bewust is van zichzelf en de wereld om zich heen. En of die wereld schijn is of reëel, is in wezen onbelangrijk. De realiteit voor ons is, wat we weten, ook al is dat gebaseerd op vermoedens; op speculatie. Het is de werkelijkheid, waarvan alleen -nog- brokstukjes tot het kennisgebied behoren, maar die stap voor stap kennis vermeerderen. Onvermijdelijk dringt zich steeds weer de vraag op naar de zin, naar een doel, naar een plan van dit leven en van alles om ons heen, maar dat doel moet je zelf formuleren.

Wat moet ik doen – Die zin, dat doel, dat plan bestaat niet. Die zin kunnen we alleen zelf geven. En op de vraag wat we moeten doen is al een afdoende en een duidelijk antwoord gegeven: een goed mens zijn. Een goed mens is een mens die altijd poogt goed te handelen -Spinoza zou zeggen: adequaat te handelen-. En het gaat dan niet om de kleinzielige moraal; die van regeltjes. Altijd pogen goed te handelen is iets wat vooral tijdens de jeugd, maar ook later met vallen en opstaan geleerd moet worden. Het moet een gewoonte worden, een gewoonte die net als andere gedragingen onderdeel van je karakter worden. Goede gewoonten zijn deugden; letterlijk voortreffelijkheid, uitmuntendheid. Deugden vormen de hoogste individuele menselijke waarden.

Wat mag ik hopen – Bronnen van het geloof zijn uit der aard primitief, in die zin dat sterke wens naar een zin, naar bescherming, vorm kreeg in niet te toetsen verhalen. Dat zoveel mensen grote waarde hechten aan deze in oorsprong, honderden jaren mondeling overgeleverde verhalen zegt iets over de drang naar het zoeken naar de zin van ons bestaan. Ooit hoorde ik iemand zeggen dat als zoveel mensen geloven in een god of goden, dat er dan dus wel een god of goden moet(en), in ieder geval iets moet zijn. Die redenering is krom. In en voor de Middeleeuwen was vrijwel iedereen er van overtuigd dat de aarde plat was, maar dat houdt niet in dat die veronderstelling ook juist is; niet zoals we nu weten. Maar de gedachte aan zinloosheid, naar leegte, is blijkbaar te verschrikkelijk om te aanvaarden. Maar de basis van de zin ligt inherent in ons – toevallige – bestaan, in het feit dat de mens zich bewust is en daardoor en daarom vorm wil geven aan dit tijdelijke bestaan.

Wat is de mens – De mens is een organisch wezen met bewustzijn. Voortvloeiend uit dat bewustzijn onderscheid de mens goed en kwaad. Inherent stelt die bewuste mens de vraag naar de zin van dit, en dus haar of zijn leven. Maar niemand en niets buiten hem kan dat aangeven, maar daarvoor hoogstens een leidraad zijn.